Guy Van Meervenne laat deze keer zijn licht schijnen op de gestalte van een motorcrosser. Met wereldkampioenen die genetisch gezegend zijn met een kleinere gestalte, lijkt motorcross steeds efficiënter te worden. Voorbeelden genoeg te vinden in de recente geschiedenis met toppers zoals Gaston Rahier, Ricky Carmichael en Eric Geboers.
Zijn piloten met een kleine gestalte echt in het voordeel?
Op het eerste gezicht zou je geneigd zijn om “ja” te antwoorden. Kijk maar naar het lijstje toppiloten: opvallend veel rijders blijven onder de gemiddelde lengte van de Belgische man, die met zijn 181 cm niet bepaald klein te noemen is. Namen als Jorge Prado (174 cm), Antonio Cairoli (170 cm), Jeffrey Herlings (171 cm), Ricky Carmichael (166 cm) en Eric Geboers (168 cm) spreken boekdelen.
Iets verder in het verleden was er Gaston Rahier (164 cm). Hij is driemaal wereldkampioen geworden 125cc en heeft twee keer Paris-Dakar gewonnen.
Toch verdient die bewering nuance.
Lengte alleen verklaart immers geen succes. Er zijn uitzonderingen genoeg. Ken De Dycker meet bijvoorbeeld 191 cm, Max Anstie 183 cm en ook zij konden zich jarenlang meten met de wereldtop. Jaak Vanvelthoven (+ 190 cm) was eveneens een grote rijder, al gaf hij zelf toe dat diep spoorwerk voor hem een beperking vormde: kort indraaien was geen optie, hij moest breder rijden, wat meer glijden en minder tractie betekende.
Dat brengt ons bij een belangrijk punt: techniek, conditie en bike setup zijn doorslaggevender dan gestalte. Motoren zijn de voorbije jaren steeds compacter geworden omdat een compacte motor beter stuurt. Frames zijn smaller, korter en stijver, en onderdelen worden slimmer weggewerkt. Fabrieksmotoren worden bovendien tot in de puntjes afgesteld op de rijder: vering, stuurpositie, voetsteunen, zadelhoogte, remmen, koppeling en zelfs de versnellingsbakafstelling worden aangepast — uiteraard binnen de strikte FIM-reglementen die voorschrijven dat motoren gebaseerd moeten blijven op productiemodellen.
Kleinere rijders hebben wel degelijk enkele voordelen.
Een kleinere gestalte betekent meestal ook minder gewicht, en minder gewicht betekent meer rendement uit hetzelfde vermogen. Dat verklaart waarom rijders als Sacha Coenen zulke sterke starters zijn. Daarnaast rijden kortere benen vaak makkelijker in diepe sporen: ze zitten minder in de weg en laten toe om sneller en scherper van richting te veranderen.
Maar ook dat verhaal kent een keerzijde. Een mogelijk nadeel voor kleinere piloten is spierkracht. Conditie kan top zijn, maar brute kracht blijft nodig — al geldt daarbij meteen de kanttekening dat vooral minder ervaren rijders veel kracht nodig hebben. Goede piloten laten de motor zijn werk doen, volgen de lijn van de machine en corrigeren subtiel in plaats van te forceren.
Grotere en zwaardere rijders hebben dan weer andere troeven.
Meer gewicht kan zorgen voor extra stabiliteit op hoge snelheid en bij grote sprongen, en een langere lichaamsbouw biedt meer hefboomwerking. Dat verklaart waarom sommige lange rijders uitblinken op snelle, open circuits.
De geschiedenis toont mooi aan hoe relatief dit alles is. Gaston Rahier — klein van gestalte maar groots in prestaties — had voor zijn BMW in de Paris-Dakar zelfs een trapje nodig om op te stappen.
De conclusie?
Kleinere gestalte kan een voordeel zijn, maar is nooit doorslaggevend. In moderne motocross is het de combinatie van rijder, techniek en perfect afgestemde motor die het verschil maakt — ongeacht of je nu 1 meter 66 of 1 meter 91 bent.
Redactie: Guy Van Meervenne
Foto: Jean Berben en archief MXV









